Turboliquidatie: politieke schijnzekerheid, bestuurlijke laksheid en falend toezicht
Door Pieter Knabben.
De turboliquidatie had een efficiënt juridisch instrument moeten zijn. Een snelle, ordelijke beëindiging van rechtspersonen zonder baten. In theorie een nuttig middel. In de praktijk is het uitgegroeid tot een grijs gebied waar toezicht ontbreekt, schuldeisers achterblijven en de overheid zelf – ironisch genoeg vaak de grootste schuldeiser – opvallend afwezig is.
Het Nederlands SeQuestratie Kantoor en het Nationaal Faillissement Preventie Instituut (NFPI) signaleren al jaren dat de afwikkeling van vennootschappen structureel tekortschiet. Niet door gebrek aan wetgeving, maar door gebrek aan handhaving, regie en verantwoordelijkheid.
Onder leiding van Pieter Knabben, initiatiefnemer van een strikt wettelijk en transparant liquidatiemodel, wordt juist gepleit vóór zorgvuldige vereffening conform de bepalingen van Boek 2 BW. Liquidatie is geen administratieve formaliteit. Het is een juridische eindafrekening met maatschappelijke gevolgen.
Jarenlange signalen, jarenlange stilstand
Opsporingsdiensten vermoedden al geruime tijd dat misbruik van turboliquidaties toenam. Toch werd pas in 2018 door toenmalig minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker aangegeven dat eerst onderzocht moest worden of “de gecreëerde situatie” nog wenselijk was.
Er kwamen cijfers. Er kwam een analyse van de Belastingdienst in 2019. Maar die bracht de omvang van fraude onvoldoende in kaart. Een vervolgonderzoek bleef uit. Het dossier verdween in bestuurlijke traagheid.
Pas eind 2023 werd een tijdelijke wet ingevoerd. Het compromis: iets meer transparantie, zonder ondernemers “onnodig te belasten”. Bij uitschrijving moeten sindsdien een slotbalans en aanvullende stukken worden gedeponeerd. De toelichting vermeldt zelfs dat de extra tijdsbesteding voor ondernemers “circa 37 minuten” bedraagt.
37 minuten voor de ontbinding van een rechtspersoon met schulden, dat zegt genoeg.
Wetgeving zonder tanden
Wie de nieuwe verplichtingen niet naleeft, kan in theorie worden vervolgd wegens een economisch delict of een bestuursverbod opgelegd krijgen. In theorie.
In de praktijk blijkt het toezicht diffuus en versnipperd:
- De Kamer van Koophandel controleert uitsluitend of documenten zijn ingediend, niet of ze inhoudelijk kloppen.
- Het Bureau Economische Handhaving (onderdeel van de Belastingdienst) heeft formeel toezicht, maar beschikt over een marginaal budget.
- Het Openbaar Ministerie past het bestuursverbod bij turboliquidaties nauwelijks toe.
- Signalen over misbruik blijven uit – mede doordat er geen actief toezichtmechanisme bestaat.
Het gevolg: documenten verdwijnen in een bestuurlijke “Bermudadriehoek”. Ingediend of niet, inhoudelijk beoordeeld worden ze zelden. Handhaving is reactief, niet proactief.
De overheid als grootste schuldeiser – maar zonder urgentie
Opvallend is dat juist de overheid en de Belastingdienst in veel gevallen de grootste schuldeisers zijn. Toch ontbreekt het aan daadkrachtige interventie. Capaciteitsgebrek, prioritering van andere fraudevormen en bestuurlijke drukte worden aangevoerd als verklaring.
Maar schuldeisers – leveranciers, werknemers, MKB-ondernemers – blijven intussen met lege handen achter.
De tijdelijke wet wekt de indruk van versterkte bescherming. In werkelijkheid biedt zij vooral schijnveiligheid. Fraudeurs liggen er niet wakker van. Bonafide bestuurders worden geconfronteerd met extra formaliteiten, terwijl kwaadwillenden eenvoudigweg niets deponeren of misleidende stukken indienen.
Politiek compromis boven rechtszekerheid
Wat hier zichtbaar wordt, is een klassiek politiek evenwicht:
- Justitie wil bestrijden.
- Economische Zaken wil ontzien.
- Financiën wil niet handhaven.
Het resultaat is een wet die vooral laat zien dát er iets gebeurt, zonder structureel effect.
Toch wordt in Den Haag gesproken over permanente invoering. Terwijl evaluaties reeds aantonen dat naleving te laat en inhoudelijk ondermaats is, en dat toezicht feitelijk ontbreekt.
De oplossing: geregisseerde vereffening onder wettelijke discipline
Het Nederlands SeQuestratie Kantoor en het NFPI pleiten niet voor afschaffing van de turboliquidatie, maar voor professionalisering en regie.
Onder leiding van Pieter Knabben is een model ontwikkeld waarbij:
• Vereffening plaatsvindt conform de wettelijke bepalingen van Boek 2 BW;
• Schuldeisers actief en aantoonbaar worden geïnformeerd;
• Financiële eindafrekeningen transparant worden opgesteld;
• Bestuurders expliciet worden gewezen op hun aansprakelijkheidsrisico’s;
• Een onafhankelijke regisseur toezicht houdt op de correcte afwikkeling.
Liquidatie is geen administratieve handeling van 37 minuten. Het is een juridische verantwoordelijkheid.
Wetgeving
De huidige wetgeving rond turboliquidatie balanceert tussen symboliek en vrijblijvendheid. Schuldeisers worden onvoldoende beschermd. Toezicht is versnipperd. Handhaving is zeldzaam.
Wie rechtszekerheid serieus neemt, kan niet volstaan met politieke compromissen. Vereffening vereist discipline, transparantie en professionele begeleiding.
Zolang de overheid haar rol als grootste schuldeiser niet met overtuiging invult, blijft het systeem kwetsbaar.
Het is tijd voor juridische regie in plaats van bestuurlijke vrijblijvendheid. Het Nederlands SeQuestratie Kantoor in Diemen, heeft een strak georganiseerd model ontwikkeld voor de vereffening en liquidatie in Nederland en België dat aan alle wettelijke voorschriften voldoet.