De schulden-economie in Nederland: wanneer het innen van schulden het oplossen ervan in de weg staat

Een openstaande rekening moet worden betaald. Dat uitgangspunt is eenvoudig en vormt een essentieel onderdeel van het economisch verkeer. Een ondernemer die levert, een verhuurder die woonruimte beschikbaar stelt of een organisatie die een dienst verricht, moet erop kunnen vertrouwen dat gemaakte betalingsafspraken worden nagekomen.

Daarom bestaan incasso, gerechtsdeurwaarders en uiteindelijk juridische executiemaatregelen.

Toch ontstaat er een ingewikkelder vraag wanneer iemand niet één rekening te laat betaalt, maar structureel niet meer in staat is zijn financiële verplichtingen na te komen.

Vanaf welk moment helpt verdere incasso nog om een schuld op te lossen? En wanneer zorgt diezelfde incassoketen ervoor dat een financieel probleem juist langer blijft bestaan?

Dat spanningsveld wordt soms aangeduid als de schulden-economie: het geheel van schuldeisers, incassodienstverleners, gerechtsdeurwaarders, juridische procedures, schuldhulpverleners en publieke instanties dat rondom betalingsachterstanden is ontstaan.

Het is geen officiële economische of juridische term. Wel benoemt het een reëel vraagstuk.

Niet iedere partij binnen dat systeem heeft namelijk hetzelfde doel, dezelfde informatie of dezelfde prikkel.

En juist daarin zit een belangrijk deel van het probleem.

Nederland heeft niet alleen veel schulden, maar vooral hardnekkige schulden

Schuld op zichzelf is niet uitzonderlijk.

Hypotheken, zakelijke financieringen, studieschulden en betaling op rekening zijn normale onderdelen van een moderne economie. Het probleem ontstaat wanneer verplichtingen niet langer binnen afzienbare tijd kunnen worden voldaan en betalingsachterstanden zich gaan opstapelen.

Volgens het CBS had op 1 januari 2025 8,6 procent van de Nederlandse huishoudens geregistreerde problematische schulden. Dat percentage was iets lager dan een jaar eerder, maar vertegenwoordigt nog altijd een zeer omvangrijke groep huishoudens.

Daarbij is het woord geregistreerde belangrijk.

Het CBS gebruikt verschillende registraties, zoals langdurige achterstanden bij de zorgverzekering, betalingsachterstanden die bij BKR zijn geregistreerd, bepaalde CJIB-schulden, schuldregelingen en de wettelijke schuldsanering. Niet iedere financiële achterstand is dus automatisch in deze cijfers zichtbaar.

Minstens zo relevant als het aantal schuldenaren is de duur van de problematiek.

Onderzoek van Hogeschool Utrecht en Kredietbank Nederland naar 250 schuldhulpdossiers laat zien dat tussen de oudste schuld en de aanvraag van een schuldregeling gemiddeld ongeveer acht jaar verstrijkt. In die onderzochte dossiers bedroeg de gemiddelde totale schuldenlast ruim €41.000 en waren gemiddeld dertien schuldeisers betrokken.

Dat onderzoek is geen meting van alle Nederlandse huishoudens met schulden en moet dus niet als landelijk gemiddelde voor iedere schuldenaar worden gelezen.

Maar het toont wel iets fundamenteels aan: problematische schulden kunnen bijzonder lang blijven bestaan voordat een integrale oplossing wordt bereikt.

Een kleine schuld hoeft geen klein probleem te blijven

Een betalingsachterstand kent verschillende fases.

Stel dat iemand een rekening niet betaalt. Eerst volgt doorgaans een herinnering of aanmaning. Bij consumenten moet een schuldeiser onder bepaalde voorwaarden eerst gelegenheid geven om alsnog binnen veertien dagen te betalen voordat buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd worden.

Daarna kunnen incassokosten en rente ontstaan.

Voor consumentenvorderingen zijn de maximale buitengerechtelijke incassokosten wettelijk begrensd. Over de eerste €2.500 van een vordering bedraagt het maximum bijvoorbeeld 15 procent, waarbij tevens een minimumbedrag kan gelden. Naast toegestane incassokosten kan wettelijke rente verschuldigd zijn. Andere losse posten zoals aanvullende administratie- of herinneringskosten mogen niet zomaar boven op de wettelijk toegestane incassokosten worden gezet.

Daarmee is de zaak nog niet noodzakelijk opgelost.

Wanneer betaling uitblijft, kan een schuldeiser naar de rechter gaan. Een gerechtsdeurwaarder kan een dagvaarding betekenen en, nadat daarvoor een juridische titel bestaat, bijvoorbeeld beslag leggen op inkomen, een bankrekening of andere vermogensbestanddelen. Een gewoon incassobureau heeft die executiebevoegdheden niet.

Iedere afzonderlijke stap kan juridisch verklaarbaar en noodzakelijk zijn.

Maar wanneer één huishouden meerdere schuldeisers heeft, kan iets anders gebeuren.

Iedere schuldeiser voert zijn eigen dossier.

Iedere schuldeiser probeert zijn eigen vordering betaald te krijgen.

En iedere afzonderlijke incassoprocedure kan kosten veroorzaken.

Het individuele dossier kan daarmee rationeel worden behandeld, terwijl het totaal voor de schuldenaar steeds minder oplosbaar wordt.

Dat is een klassiek coördinatieprobleem.

Dertien schuldeisers zien dertien dossiers; de schuldenaar heeft één probleem

Het eerdergenoemde onderzoek naar schuldregelingen is juist daarom interessant.

Gemiddeld waren in de onderzochte dossiers dertien schuldeisers betrokken.

Voor iedere afzonderlijke schuldeiser bestaat er in beginsel een begrijpelijke reden om tot inning over te gaan. Een energieleverancier hoeft niet automatisch te weten welke belastingschuld bestaat. Een verhuurder kent niet noodzakelijk de betalingsachterstand bij een zorgverzekeraar. Een commerciële schuldeiser heeft bovendien zijn eigen verantwoordelijkheid tegenover aandeelhouders, medewerkers en andere crediteuren.

Maar voor degene die de schulden heeft, bestaan die dossiers niet afzonderlijk.

Er bestaat één inkomen.

Eén beschikbare kasstroom.

En één totaal aan verplichtingen waaruit alle schuldeisers betaald zouden moeten worden.

Daar ontstaat een fundamenteel verschil tussen incasso en schuldoplossing.

Incasso beantwoordt in beginsel de vraag:

Hoe krijgen wij deze specifieke vordering betaald?

Een effectieve schuldregeling moet een andere vraag beantwoorden:

Hoe kunnen alle verplichtingen gezamenlijk worden teruggebracht naar een situatie die financieel uitvoerbaar is?

Zolang die tweede vraag niet wordt gesteld, kan een systeem heel actief zijn zonder dat de onderliggende schuldenproblematiek daadwerkelijk verdwijnt.

Kostenstapeling is inmiddels ook door de wetgever als probleem herkend

De discussie over oplopende kosten is niet nieuw.

Sinds 1 april 2024 geldt daarom de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Buitengerechtelijke incassodienstverleners die onder deze wet vallen, moeten aan eisen voldoen op het gebied van onder meer vakbekwaamheid, administratie, informatievoorziening en klachtenbehandeling. Er geldt bovendien een registratieplicht.

De wet bevat daarnaast maatregelen tegen het stapelen van incassokosten bij terugkerende kleine vorderingen. Voor bepaalde periodieke vorderingen beneden een vastgesteld bedrag zijn de incassokosten gemaximeerd op €140 per periode van zes maanden.

Vanaf 1 oktober 2026 krijgt het incassoregister bovendien verdere praktische betekenis: volgens Justis hoeven mensen die door een incassodienstverlener worden benaderd vanaf die datum alleen nog actie te ondernemen wanneer die dienstverlener in het wettelijke register staat geregistreerd.

Dat zijn geen details.

Ze laten zien dat de wetgever onderscheid probeert te maken tussen twee doelen die tegelijkertijd beschermd moeten worden: het recht van een schuldeiser om een legitieme vordering te innen en het belang dat een schuldenaar niet door onprofessionele of disproportionele incassopraktijken verder in de problemen raakt.

De schuldeiser is niet de tegenstander

In discussies over schulden ontstaat gemakkelijk een karikatuur.

Aan de ene kant de kwetsbare schuldenaar. Aan de andere kant de machtige schuldeiser of incasso-industrie.

De werkelijkheid is ingewikkelder.

Een onbetaalde rekening verdwijnt niet doordat incassomaatregelen worden beperkt.

Iemand draagt uiteindelijk de financiële schade.

Voor een grote financiële instelling kan één onbetaalde factuur relatief beperkt zijn. Voor een zelfstandige, kleine leverancier of mkb-bedrijf kan een reeks onbetaalde facturen juist de eigen liquiditeitspositie aantasten.

Dan kan een betalingsprobleem zich door de keten verplaatsen.

Een klant betaalt zijn leverancier niet. Die leverancier krijgt vervolgens moeite met het betalen van personeel, belastingen of eigen leveranciers. Een debiteurenprobleem kan daarmee uiteindelijk veranderen in een liquiditeitsprobleem bij een andere onderneming.

Vanuit het NFPI is juist dát onderscheid belangrijk.

Een goed functionerende schuldenketen moet niet kiezen tussen bescherming van schuldenaren en bescherming van schuldeisers. Zij moet betalingsverplichtingen serieus nemen én voorkomen dat incasso economisch zinloos wordt.

Want een vordering van €10.000 waarop jarenlang nauwelijks wordt afgelost, wordt niet waardevoller omdat er meer brieven, procedures en kosten aan worden toegevoegd.

De relevante vraag is uiteindelijk hoeveel van de oorspronkelijke vordering realistisch kan worden geïnd.

De economische prikkel zit niet alleen bij het incassobureau

De term schulden-economie suggereert soms dat incassobureaus er belang bij hebben schulden bewust in stand te houden.

Daarvoor is als algemene conclusie onvoldoende grond.

Bovendien zijn de financiële prikkels in de schuldenketen veel breder.

Ook oorspronkelijke schuldeisers bepalen bijvoorbeeld hoe lang zij een dossier intern houden, wanneer een betalingsregeling wordt aangeboden, wanneer een externe partij wordt ingeschakeld en wanneer juridische stappen worden gezet.

Publieke schuldeisers spelen eveneens een grote rol in Nederlandse schuldenproblematiek. Belastingen, toeslagen, verkeersboetes en andere overheidsvorderingen kunnen onderdeel vormen van een schuldenpakket.

Daarom richt hervorming zich inmiddels niet alleen op commerciële incassobureaus.

De Rijksoverheid werkt onder meer aan verdere clustering van de Rijksincasso, één betalingsregeling voor verschillende overheidsvorderingen, een integraal schuldenoverzicht en een landelijke pauzeknop waarmee mensen die schuldhulp aanvragen tijdelijk rust in hun incassoprocessen kunnen krijgen. De landelijke pauzeknop staat volgens de huidige planning voor 2027 voorzien.

Het onderliggende probleem is daarmee breder dan de werkwijze van één beroepsgroep.

Het gaat om de architectuur van de gehele keten.

Te laat ingrijpen maakt bijna ieder financieel probleem moeilijker

Een van de opvallendste conclusies uit recent schuldenonderzoek is de lange periode voordat mensen daadwerkelijk bij een schuldregeling terechtkomen.

Dat is financieel bezien problematisch.

Een schuldensituatie is namelijk dynamisch.

Wanneer het beschikbare inkomen al onvoldoende is om bestaande verplichtingen te voldoen, leidt tijd niet automatisch tot verbetering. Nieuwe achterstanden kunnen ontstaan. Rente kan doorlopen. Incasso kan aanvullende kosten veroorzaken. Tegelijkertijd kan iemand door stress en verlies van overzicht minder goed in staat zijn om financiële beslissingen te nemen of met alle betrokken partijen afzonderlijk afspraken te maken.

Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek naar problematische schulden concludeerde in 2024 eveneens dat schulden vaak samenhangen met andere levensproblemen, dat kosten tijdens een schuldentraject kunnen oplopen en dat mensen geregeld te laat in passende hulp terechtkomen. Het rapport adviseerde daarom onder meer een beter schuldenoverzicht en maatregelen om onnodige kostenopbouw terug te dringen.

De financiële logica lijkt daarmee sterk op wat bij ondernemingen in zwaar weer wordt gezien.

Hoe eerder duidelijk wordt dat een betalingsprobleem niet tijdelijk maar structureel is, des te meer oplossingsrichtingen doorgaans nog beschikbaar zijn.

Wanneer verandert incasso in verliesmanagement?

Dat brengt ons bij misschien wel de belangrijkste vraag binnen de schulden-economie.

Wanneer weet een schuldeiser dat verdere reguliere incasso niet langer de meest effectieve strategie is?

Een betalingsachterstand van twee weken is iets anders dan een vordering die vijf jaar openstaat.

Een debiteur die niet wíl betalen, vraagt om een andere aanpak dan iemand die aantoonbaar niet kán betalen.

En een schuldenaar met één tijdelijke achterstand bevindt zich in een volstrekt andere positie dan iemand met dertien schuldeisers en structureel onvoldoende afloscapaciteit.

Toch behandelt een traditionele incassoketen die situaties gemakkelijk via vergelijkbare opeenvolgende stappen.

Herinneren.

Aanmanen.

Incasseren.

Procederen.

Executeren.

Financieel gezien zou daar nog een stap vóór moeten zitten: diagnosticeren.

Is de vordering volledig verhaalbaar?

Is sprake van tijdelijke illiquiditeit of structurele insolventie?

Zijn er meerdere schuldeisers?

Bestaat er een reële betalingscapaciteit?

Levert escalatie naar verwachting meer op dan een regeling?

En is een collectieve oplossing uiteindelijk economisch gunstiger dan dertien afzonderlijke incassotrajecten?

Dat zijn geen sociale vragen alleen. Het zijn ook economische vragen.

Bij zakelijke schulden wordt dat onderscheid nog belangrijker

Voor ondernemingen gelden deels andere regels dan voor consumenten.

Ook de financiële gevolgen kunnen aanzienlijk groter zijn. Bij handelstransacties bedraagt de wettelijke rente sinds 1 juli 2026 bijvoorbeeld 10,4 procent, terwijl de wettelijke rente voor niet-handelstransacties sinds 1 januari 2026 4 procent bedraagt.

Een bedrijf met achterstallige betalingen kan daardoor relatief snel met een oplopende schuldenpositie worden geconfronteerd.

Maar ook daar geldt: méér incasso is niet automatisch hetzelfde als een betere oplossing.

Wanneer een onderneming levensvatbare activiteiten heeft maar tijdelijk onvoldoende liquiditeit, kan een betalingsregeling of schuldeisersregeling meer waarde behouden dan onmiddellijke escalatie.

Wanneer de onderneming structureel verliesgevend is, kan juist een ingrijpende bedrijfsherstructurering noodzakelijk zijn.

En wanneer een onderneming haar verplichtingen voorzienbaar niet meer kan voldoen, kunnen vraagstukken rondom insolventie, bestuurdersverantwoordelijkheid en eventueel een WHOA-traject relevant worden.

Daarom is het bij zakelijke schulden noodzakelijk onderscheid te maken tussen een gewone betalingsachterstand en een onderneming die werkelijk in financieel zwaar weer verkeert.

Een goed schuldenstelsel moet uiteindelijk op oplossing worden afgerekend

Een financieel systeem zonder incasso kan niet functioneren.

Wanneer overeenkomsten zonder consequenties kunnen worden geschonden, verschuift het risico volledig naar degene die krediet verleent, goederen levert of diensten verricht. Dat zou economische transacties duurder en uiteindelijk moeilijker maken.

De oplossing is daarom niet het verdwijnen van incasso.

Maar het succes van een schuldenketen zou evenmin alleen moeten worden afgemeten aan het aantal verstuurde aanmaningen, getroffen regelingen, gelegde beslagen of afgesloten dossiers.

De fundamentelere vraag is wat er met de schuld gebeurt.

Wordt zij betaald?

Wordt er een realistische regeling getroffen?

Wordt problematische schuldenopbouw tijdig herkend?

En wanneer volledige betaling niet langer realistisch is, wordt dat dan vroeg genoeg geconstateerd om verdere economische schade te beperken?

Ook het huidige beleid beweegt steeds nadrukkelijker in die richting. Naast de Wet kwaliteit incassodienstverlening wordt gewerkt aan verdere hervorming van de schuldhulp en invorderingsketen. In juni 2026 is bijvoorbeeld een voorstel voor een Wet schuldregelen in internetconsultatie gebracht, met onder meer voorstellen voor reactietermijnen bij schuldregelingen en steviger toezicht op onbevoegde commerciële schuldregelaars. Dat voorstel is op dit moment nog geen geldend recht.

Dat onderscheid tussen inning en oplossing is uiteindelijk de kern van de discussie over de Nederlandse schulden-economie.

Niet iedere kostenpost is onrechtmatig. Niet iedere schuldeiser handelt onredelijk. Niet iedere debiteur kan worden geholpen met kwijtschelding en niet iedere schuld kan zonder consequenties verdwijnen.

Maar een systeem waarin een financieel probleem jarenlang kan circuleren tussen schuldeisers, incassodienstverleners, deurwaarders en hulpverleners zonder dat de onderliggende onbetaalbaarheid wordt opgelost, verdient kritische analyse.

De centrale vraag is daarom niet of Nederland incasso nodig heeft.

De vraag is of onze schuldenketen voldoende is ingericht om het moment te herkennen waarop innen moet plaatsmaken voor oplossen.